De brief op de keukentafel
Een beleidsbrief op de keukentafel dwingt de boer om zijn bedrijf, de keten en publieke doelen tegelijk te bekijken. De vijf VDM-dimensies verschijnen voor het eerst als gezamenlijke onderzoeksvraag.
De boer had de brief drie keer gelezen. De eerste keer om te weten wat erin stond, de tweede keer om te begrijpen wat het voor zijn bedrijf betekende, en de derde keer omdat hij hoopte bij de eerste twee iets te hebben gemist.
De vierde keer begon hij aan de bijlagen.
Op het aanrecht stond een kop koffie met een vel erop. Zijn laptop was nog open op de berekening die hij de avond ervoor had gemaakt. In het ene tabblad had hij een aanpassing van de stal doorgerekend, in het andere een kleinere veestapel. Bij allebei moest hij aannemen wat zijn melk over een paar jaar zou opbrengen. Daar had hij een bandbreedte voor genomen. Voor de voorwaarden waaronder hij die melk mocht produceren had hij geen bruikbare bandbreedte kunnen vinden.
Hij kende het verschil tussen een plan en een besluit. Op de agrarische hogeschool had hij geleerd aannames te benoemen en een berekening niet mooier te maken dan de gegevens toelieten. Maar nu waren de aannames zelf het belangrijkste onderdeel van zijn onderneming geworden.
Zijn dochter had tijdens het ontbijt gevraagd of hij vrijdag bij haar op school kon komen. Er was een bijeenkomst over vervolgopleidingen. Hij had gezegd dat hij het in zijn agenda zou zetten. Toen ze weg was, had hij haar broodtrommel zien liggen en was haar achterna gelopen. Pas terug in de keuken merkte hij dat hij de brief nog in zijn andere hand hield.
De koopman kwam door de achterdeur. Hij klopte wel, maar wachtte zelden op antwoord; ze kenden elkaar lang genoeg om dat niet onbeleefd te vinden.
‘Je zou me bellen over het voer.’
‘Ik heb eerst iets anders.’
De boer schoof de papieren naar de overkant van de tafel.
De koopman bleef even staan. Hij was gewend tijdens het lezen al naar een oplossing te zoeken: een andere leverancier, een latere levering, een andere samenstelling. Na de eerste bladzijde trok hij een stoel naar zich toe.
‘Dit is de samenvatting van de nieuwe plannen?’
‘Van mijn adviseur. De oorspronkelijke stukken zitten erachter. Ik wil weten wat ik kan doen zonder over drie jaar opnieuw te moeten beginnen.’
De koopman las verder. Buiten reed de melkauto het erf op. De boer stond op, keek door het raam en ging weer zitten. De chauffeur wist de weg.
‘Als de norm duidelijk wordt, kun je daar toch naartoe investeren?’ vroeg de koopman.
De boer draaide zijn laptop om. ‘Dat is dit tabblad. En hier staat wat er gebeurt als ik daarna alsnog minder dieren moet houden. Die investering wordt daar niet kleiner van.’
De koopman schoof zijn bril omhoog. ‘Nee.’
Het was een bescheiden antwoord, maar de boer was er blijer mee dan met het advies dat hij had verwacht.
De onzekerheid op hun tafel was die maand ook buiten het erf beschreven. Het Planbureau voor de Leefomgeving had het nieuwe stikstofpakket beoordeeld. Het voorgestelde uitstootdoel kon binnen bereik komen, maar daarvoor moesten ingrijpende veranderingen slagen. Investeringen zouden niet voor alle bedrijven haalbaar zijn. Bovendien kon de mogelijkheid van een latere korting op productierechten ook het perspectief onzeker maken van boeren die aan nieuwe eisen voldeden.
Er werd opnieuw geklopt. Ditmaal bij de voordeur.
‘De dominee,’ zei de boer. ‘Die heb ik ook gevraagd.’
‘Dat verklaart waarom je nog geen beslissing hebt genomen.’
‘Jij hebt er ook nog geen op tafel gelegd.’
De dominee hing zijn jas zorgvuldig aan een haak. Hij had een map bij zich, dunner dan de stapel van de boer, maar voorzien van gekleurde strookjes. Hij kon slecht tegen gesprekken waarin mensen over regels spraken zonder te weten welke regel ze bedoelden. Daar had hij vaak gelijk in. Het hielp niet altijd.
‘Voor we beginnen,’ zei hij, ‘moeten we onderscheid maken tussen wat is aangekondigd en wat al geldt.’
‘Daar begin ik elke dag mee,’ antwoordde de boer. ‘Daarna moet ik voeren.’
De dominee keek naar het scherm en vroeg of hij de berekening mocht zien. Dat verraste de boer. Hij schoof de laptop een stoel verder.
De heer van stand arriveerde als laatste. Hij verontschuldigde zich voor een omleiding, legde zijn telefoon op stil en vroeg of hij ergens kon helpen. De boer wees naar het koffieapparaat. Even later stonden er vier verse koppen op tafel.
‘We zouden misschien eerst wat afstand moeten nemen,’ begon de heer van stand.
‘Jij woont ver genoeg weg,’ zei de boer. ‘Ga eerst maar zitten.’
De heer van stand glimlachte, maar hij ging zitten zonder zijn zin af te maken.
Ze keken naar de papieren. Een voorstel voor de stal. Een overeenkomst met de bank. De voorwaarden van de afnemer. Een toelichting op beleid dat nog verder moest worden uitgewerkt. Geen van de documenten was op zichzelf onbegrijpelijk. Samen gaven ze geen antwoord op de vraag van de boer.
‘Wat moet mijn bedrijf straks eigenlijk kunnen?’ vroeg hij. ‘Voedsel produceren, natuur helpen herstellen, minder uitstoten, een inkomen opleveren? Ik kan op alles afzonderlijk iets bedenken. Maar ik krijg het niet bij elkaar.’
‘Er zijn grenzen,’ zei de dominee.
‘Dat weet ik. Mijn bank heeft er ook een paar.’
De koopman nam een leeg vel. Hij schreef bovenaan: Economie. De boer las het en schreef er Productie naast. De dominee voegde Wetgeving toe. Na enig overleg kwamen er nog twee woorden bij: Kennis en MVO.
‘Maatschappelijk verantwoord ondernemen,’ zei de koopman. ‘Wat we verantwoord vinden, ook wanneer het nog niet in een contract of een wet staat.’
‘En wie is we?’ vroeg de boer.
Niemand antwoordde direct. De heer van stand trok het vel naar zich toe, maar schreef er niets bij.
‘Die vraag moeten we bewaren.’
De vijf woorden bleven in het midden liggen. Ze zouden later ontdekken dat het moeilijkste niet was om onder elk woord iets verstandigs te schrijven. Het moeilijkste was te begrijpen hoe een verandering onder het ene woord de mogelijkheden onder het andere veranderde.
De koopman keek opnieuw naar de stalberekening. ‘Voor we besluiten wat hier anders moet, wil ik weten waarom we het zo hebben ingericht.’
De boer wees naar de kast bij de deur. Onder de verzekeringspapieren stond een doos met foto's die zijn moeder hem had meegegeven.
‘Dan moeten we misschien daar beginnen.’